Kreidlerdatabase

Brommend naar de Alpen

Nee, het was echt geen plannetje van gisteren, dat morgen drie dagen zou worden.

Kreidler Alpen

Toen we nog samen op onze Hummel rondkarden, werd eigenlijk al de grondslag gelegd voor een trip die menigeen het hoofd deed schudden maar die voor ons de mooiste belevenis zou worden van ons leven. Als we maar eerst elk een brommer hebben, joh. Dan houden ons geen tien paarden als we op vakantie willen! En eindelijk waren we dan zo ver. Lang gespaard en veel in de vakantie bijverdiend door te gaan werken in een fabriek, totdat de glorieuze dag kwam: Twee glanzende Kreidlers mochten we de onze noemen!

Wat zal dat jaar lang duren, tot de volgende vakantie. Maar ook die winter gaat voorbij en dan beginnen we al vroeg in het voorjaar met onze plannen. Een minutieuze dagindeling wordt gemaakt, een route haarfijn op papier gezet en een opstelling van wat er mee moet. Het „gewichtigste" is natuurlijk het tentmateriaal. Het blijkt vrij eenvoudig op te lossen. Een zware fietstas over de buddyseat, daarop de tent, in plastic tegen vriend Pluvius. Tenthaken enz. in de zakken bij de kleine spullen. Op de andere brommer de slaapzakken opzij op het bagagerek, vanzelf ook in plastic, de luchtbedden ertussen, daarop de regenkleding en zie­daar, een prima uitgebalanceerde bagage die met spinnekoppen wordt vastgesjord.

De ruim 900 km willen we in drie en een halve dag afleggen. Eenmaal per dag een warme hap kopen bespaart een pannenwinkel aan de brommer, maar brood nemen we van huis uit mee. Daartoe worden twee broden geslacht en omgevormd tot hele torens boterhammen, die in plastic zakken verdwijnen.

Vijf uur is het als we op een donderdag in augustus afscheid van huis nemen en tot ziens zwaaien.
Het weer belooft prachtig te worden want de lucht is glashelder. Het eerste traject voert langs de Zuid Willemsvaart waar het vreselijk saai en eentonig is.
Misschien keurt U het af maar telkens als we door zwaar vrachtverkeer worden ingehaald, profiteren we van de zuiging en pikken zo wat extra snelheid mee.

Over snelheid gesproken, we hebben de laatste dagen voor de start onze motoren geheel ontkoold. Nu moeten we ze in toom houden om niet over de maximum snelheid te raken (onder ons gezegd, smokkelen we wel wat), zo vurig zijn ze.

De grenspassage verloopt snel waarna we de eerste heuvels induiken. Het hele jaar hebben we op dit moment gewacht. Nu zal blijken of onze rossinanten berggeiten zijn, of ze de hellingen vlot zullen verorberen. Vol gas gaat het omhoog en omlaag waardoor ons tempo verrassend hoog blijft. De zorg over een laag gemiddelde blijkt voorlopig ongegrond te zijn.

Kreidler Alpen
De prachtige nieuwe snelweg — ook voor brommers! — langs de Rijn in de buurt van Koblenz.

Als we op een hoog punt in de korenvelden onze eerste boterhammen verorberen, kijken we mekaar aan en denken hetzelfde: Waar zijn we aan begonnen!
Met een brommer naar de Alpen notabene.

Maar dan snorren we al weer verder, terwijl de zon al begint te bakken. Kwart voor negen over de grens en nu gaat het gezwind op de Rijn aan.
Duren en Zülpich zijn al gepasseerd en nu is het uitkijken naar Sinzig waar vader Rijn op ons wacht.

Onze motoren spinnen als katten op de gladde macadamwegen in het Rijnland. Eindelijk is daar de prachtige brede stroom vol boten, Rijnaken en sleepboten, grote en kleine passagiersschepen, waarvan we de raderboten prachtig vinden.

Ons gemiddelde ligt zo fantastisch hoog, dat we uren op ons schema vooruit zijn. Langs een prachtige snelweg, nèt een autobaan maar vrij voor alle verkeer, klimmen we langs de Rijnbergen omhoog met mooi uit­zicht op de rivier.

De grote camping bij Koblenz, waar we de eerste nacht wilden blijven, bereiken we al rond één uur. Ongelofelijk, wat onze vinnige Kreidlers presteren. Permanent heeft het gas wijd open gestaan en ze voelen zich kiplekker blijkbaar.

Na Koblenz, waar we maar kort blijven al is het er bijzonder mooi, begint de nog veel mooiere route door de bergen, die het ravijn van de rivier nauw omsluiten. Onze maag rammelt en een uitnodigend uithangbord vraagt niet tevergeefs. Weldra prijken er twee massale biefstukken met de nodige uien op onze borden en wordt er geschranst tot en met.
Als we weer in het zadel klimmen, voelen we een flinke pijn. Omdat het toch warm weer is, doen we onze truien uit en gaan daar op zitten. De jacks vangen de wind voldoende op. Wat stijf maar overigens kiplekker rijden we nu langs de burchten en de wijnranken. Wat is het hier geweldig mooi! Als we Bingen achter ons hebben, rijpt een snood plan. Zullen we doorsjeesen tot onze tweede camping?

Kreidler Alpen
Even kregen de Kreidlers rust tegenover de befaamde Loreleirots tussen Koblenz en Blngen

Langs de Rijn zijn we veel nederlandse brommers tegengekomen. Nu zien we nog alleen Duitsers die soms zwaaien als ze de Floretts zien. Het is schemerdonker als we Speyer naderen. Het kampeerterrein blijkt klein en vol te zijn, maar we krijgen nog een plaatsje. Het wemelt er van de muggen! We behoeven geen pas of carnet te laten zien. Meteen rekenen we vast af, zodat we 's morgens vroeg weg kunnen. Dan gaan we de tent opzetten. Als we in de wascabines komen, zien we een paar zwarte gezichten met clownsachtige lichte plek­ken rond de ogen, waar de stofbril heeft gezeten. Man, man, wat zijn we vuil (en moe!). Onze haren zijn plat-geplakt van de helm.
Als we ons willen wassen, doen de duizenden muggen verwoede aanvallen op onze baadjes. Om de beurt poedelen we terwijl de ander met een handdoek de gonzende bloedzuigertjes wegmaait! 450 km Hebben we erop zitten, wat we zelfs nauwelijks kunnen geloven. Alleen onze spieren en ons zitvlak bevestigen deze dolle rit.
In het kleine cafeetje van de camping vallen we op een stoel neer en hebben veel pret ondanks de stijve spieren. Wat zullen we doen? In drie dagen kunnen we nu gemakkelijk de Alpen halen, maar... als we het nu eens in twee delen?
's Morgens is het bewolkt, maar droog. Half acht rijden we weg, terwijl de lucht donkerder wordt. In Kandel raken we voor het eerst de weg kwijt, hoe we ook zoeken. Een automobilist stopt ongevraagd en wijst ons de route. Het wordt steeds donkerder en vóór ons bliksemt het.

De regenkleding komt voor de dag en dan gaat het met onverminderd tempo recht op het dreigende on­weer af. Dan plenst de regen met bakken neer en moe­ten de koplampen op. We rijden door een dicht bos in een eenzame streek. Grimmig buigen we onze helmen en klemmen het stuur wat vaster. Ergens vinden we het toch maar machtig spannend zo, eenzaam in de natuur, terwijl de elementen losbarsten over die twee nietige figuurtjes. Rondom flitst het hemellicht en kraakt de donder. De weg staat onder water van de wolkbreuk-regen en de horizon is verduisterd door inkt­zwarte laaghangende wolkenmassa's.

Maar dan komt er een gelig licht vóór ons uit de regen op ons af. Ver­gissen we ons of mindert de regen? Nee, we hebben het ergste gehad en vrij plotseling zien we tot onze vreugde ver vooruit blauwe lucht, die, bedenken we ineens, boven Frankrijk hangt! Hoera, weer een mijl­paal op onze supertrip, we naderen het land van Marianne.
De Franse douane bekijkt ons met extra aandacht. Blijkbaar maken onze jet-helmen en onze jacks veel indruk op ze en zien ze ons voor wereldreizigers aan. Ze vragen tenminste of we Amerikanen zijn. Het weer klaart op, maar toch valt er nog een bui voor we Straatsburg bereiken.

Kreidler Alpen
Even buurten in Grindelwald. We waren aar al méér, maar nu voor het eerst zelf met de eigen brommers!

Door deze drukke stad zijn we verbazend vlug heen. We halen twee Nederlandse brommers in en natuurlijk maken we even een praatje. Samen volgen we de weg­wijzers door de stad. Zij gaan naar Colmar, wij zoeken de N 68 die ons naar Bazel moet brengen, een stille, snelle binnenroute die weinigen kennen. Drukkend warm wordt het weer. De lucht is vol onweersbeestjes, die uitermate hinderlijk zijn, vooral omdat ze in onze helmen kruipen. En krab maar eens als je zo'n ding op je bol hebt. Onze bewondering voor onze motoren stijgt nog steeds. Ook nu weer staat het gas de hele dag vol open en maken de kleine paardjes enorm veel toeren.

Als we tanken, krijgen we een soort zakdoeken om onze gezichten te verfrissen, een welkome attentie. De N 68 langs de vele dorpen met een naam die op Heim eindigt, blijkt nieuw en nog sneller te zijn dan we gehoord hadden. Om vele dorpen ligt nu een nieuw stuk voor doorgaand verkeer. 130 km Liggen tussen Straatsburg en Bazel.

U zult het gek vinden, maar we gaan er eens extra voor zitten, kloppen de Kreidlers op de tank en draaien de gaskraan vol open. In één ruk draven we door de mais-veiden, de akkers en de bossen als twee gonzende hommels. Het lijkt visserslatijn, maar echt waar, om 2 uur zijn we in Bazel. Het duurt lang voor we alle stop­lichten en aftakkingen achter ons hebben maar dan protesteert onze maag weer eens. In het eerste restaurant vangen we bot, maar het tweede heeft warm eten, al is het half drie. „Geht schon, nehmen Sie nur Platz", horen we binnen. We zitten buiten, niet alleen van­wege het weer maar ook om op onze brommers te passen. Het hoeft wel niet in Zwitserland, heeft men ons verteld,maar we hebben ons dat nu eenmaal voorge­nomen. Een stukje bagage is trouwens ook zo van de motoren gegapt, wat U? Al kauwend bespreken we wat ons nu te doen staat. Onze route loopt nu via Liestal naar Solothurn maar aangezien we finaal afwijken van ons tijdschema nemen we nu de Hauensteinpas, omdat bij Olten een kampeerterrein is.
Weer lokt ons het avontuur. Zullen we doorsjeesen tot ons einddoel, de camping Bodenwald in Grindelwald? Dat wordt dan nachtrijden in de bergen! Wij brommen al weer. Spoedig bereiken we de Hauensteinpas en kunnen onze motoren voor het eerst even een echte, zij het bescheiden bergpas beproeven. De bagage doet zich nu gelden. Onze kleine paarden moeten terug in de twee en, eenmaal aan de eigenlijke klim toe, zelfs in de eerste. Boven gaan we tanken en hebben pret om de nieuwsgierigheid, waarmee men ons bekijkt.
Dan gaat het snel bergafwaarts, roffelen we door Oltenen Aarburg en kijken verlangend uit naar de Alpen, die nu zo dichtbij komen. We kunnen nauwelijks stil op onze buddyseats blijven zitten van ongeduld. Of was het van zadelpijn? Bern komt in zicht, mooie stad, vinden we maar we zien alleen de buitenwijken. Tijd voor een bezoek is er niet, want we zijn bezeten van de gedachte om vanavond nog temidden van de sneeuwbergen te toeven.

Op de dalende weg na Bern beleven we dan het hoogtepunt van de heenreis: Plotseling zijn ze daar, nog wazig, heel ver weg maar duidelijk afgetekend te­gen de horizon: Majestueuze bergketens, hoog boven het land, grillige toppen en scherpe kammen als wachters voor een geheimzinnig sprookjesland.
Het wordt schemerig als we het prachtige Thunermeer bereiken en er niet op uitgekeken raken. Wat een heerlijk land, dit kleine Zwitserland. In Interlaken is het donker als we na een fantastische mooie rit langs het meer binnenrollen. De fraaie winkelstraten met het drukke geflaneer van toeristen lokken ons wel, maar we bewaren het voor later.
Om meer dan een reden verlangen we naar het eind­doel, de camping Bodenwald aan de voet van de 4000 m hoge Eigerwand. Via een donker en steil stukje door een dicht bos, belanden we in Wilderswil en duiken dan een ravijn in, omsloten door hoge bergwanden, de Lütschine kloof. Wat een gedachte, hier te rijden op onze kleine brompaardjes bijna duizend kilometer van huis, temidden van een machtige bergwereld. Zijn we werkelijk pas gistermorgen gestart? Dat weten we pas goed als we de camping bereiken. Voordien klimmen we nog stevig waarbij we telkens de Lütschine kruisen, wel driemaal door een houten overkapte brug. Voor het fraai gelegen Grindelwald slaan we rechtsaf en draai­en naar de laag aan de rivier gelegen camping, die flink vol is. Als de tent staat ploffen we op onze luchtbedden neer. Oei, nu zijn we toch hondsmoe. Maar onze trots en vreugde om het slagen van ons stoute plan doet ons onze moeheid vergeten.

Kreidler Alpen
Ook in Itramen — hoe vindt u dat prachtige Alpen­decor? — heb je zó een meisje op je brommer!

We gaan eerst wat drinken en klimmen dan tussen de weiden door langs een smal paadje omhoog. Boven ons zien we het licht van de Jungfraubergbaan in de geweldige Eigerwand. Helder zichtbaar tegen de sterrenlucht de andere toppen zoals de Wetterhorn. Op de tegenover ons liggende helling de talrijke lichtjes van het zo romantisch gelegen toeristencentrum Grindelwald. De volgende dag, stralend zonnig en warm, gaan we op verkenning uit. Natuurlijk moeten onze Kreidlers tonen wat ze in bergterrein waard zijn en dat blijkt alle verwachtingen te overtreffen. Het afdalen is even wennen. Het beste gaat het gewoon op de motor met niet te weinig toeren en afgesloten gas, waarbij de remkracht vrij goed is en het stationaire gas voor vol­doende smering zorgt. Jammer dat het nieuwe zwembad, ook met Kurkaart, wat peperig is van prijs. Het zwemt er heerlijk en de grasvelden eromheen zijn ideaal om bruin te bakken met één oog zo nu en dan op de fantastische bergwereld rondom. Er is een beste kok in het kamprestaurant, dat overigens nou niet zo erg goedkoop is

Interlaken blijkt een luxueuze maar prachtige stad te zijn, waar we meermalen naar toe brommen. Er is een groot warenhuis van Migros waar een zelfbedieningrestaurant voor lage prijs prima eten serveert. Met een zak fruit gaan we dan meestal langs de flaneerpromenade op een der vele banken zitten. Het voorbij komende verkeer uit vele landen en de toeristen uit heel de wereld zijn zo interessant dat we er uren naar kunnen kijken.
De eerste week blijft het prachtig weer. Er wordt veel geluierd, wandeltochten in de omgeving wisselen af met trips per brommer, welke laatste overal veel bekijks trekt. Toch rijden er veel Kreidlers, maar allemaal motoren met kickstarter en voetversnelling. Soms zijn we er jaloers op.

Een geliefd ommetje is langs een smalle maar goede weg omhoog tussen de vele chalets naar Itramen, van­waar je enerzijds vlak bij de Eigerwand en de Jungfrau bent, anderzijds prachtig omlaag in het ketelvormige dal van Grindelwald kijkt.
Een lekkere weg voor brommers is die langs het Briënzermeer. Vrij smal voor het oerdrukke autoverkeer, bochtig en bergachtig maar ideaal voor ons. De route biedt vrijwel voortdurend magnifieke uitzichten op het groene meer en de bergwanden aan de overkant. Je passeert vele kleine dorpjes waarbij de smalspoor haasjeover speelt, geregeld in tunnels duikt en dan weer boven ons rijdt. Even voorbij Brienz, waar je je ogen uitkijkt op het houtsnijwerk, dat tussen haakjes daar veel goedkoper is dan in Interlaken, kan men rechtsaf langs een steil maar goed te rijden weggetje naar de Giesbachwatervallen wat een hele mooie trip blijkt te zijn.

Naar mate onze vakantie voortschrijdt wordt het weer al slechter en slechter. De laatste dagen is er geen droog plaatsje meer te vinden en als we tenslotte moeten inpakken, is dat met kletsnatte bullen tussen de ergste buien door. Boven ons is alles wit ondergesneeuwd, een onvergetelijk gezicht, maar liever had­den we dit gemist en meer zon gehad.
Wat we deden, gaan we nog es proberen, al fronst U Uw voorhoofd over zoveel domheid. We rijden in twee dagen naar huis! 's Morgens vroeg nemen we af­scheid van de bekenden op het kampeerterrein en snorren weg. Tot nu toe hebben onze brommers zich geweldig gehouden. Slechts een spaak is gesneuveld maar daar hebben we al een andere voor ingedraaid, overigens niet de goede soort die we niet konden krijgen.
Alleen de knaldempers hebben we schoongekrabt, maar dat is dan ook alles wat er gesleuteld is. We behoeven geen adio te zwaaien, want er is geen berg meer te zien door de nevels en de regen. Net buiten het dorpje komt de eerste pech. De rode knipperlichten van de bergtram knipperen en de bel is al ver te horen. We laten het geval passeren en trekken dan op, ten­minste dat wilden we.

Kreidler Alpen
Véél gebruiken doet een bromfiets niet, maar toch moet er af en toe getankt worden. Hier gebeurt dit op de Hauensteinpas.

Maar achter me hoor ik plotseling een onheilspellend gekletter en gekras. Broerlief is op de schuin over de weg lopende spiegelgladde rails geslipt en ligt half onder, half over de motor! Snel help ik hem overeind. Pijnlijk strompelt hij naar de kant.
Het valt gelukkig mee, maar toch heeft hij enkele schaafwonden en een brandwond van de uitlaat. Dat zo'n ding al zo gauw heet is, hè? De beenschilden hebben de motor prachtig opgevangen, zodat deze niets mankeert. Het scherm wel, maar dat wordt zo goed en zo kwaad rechtgebogen. Thuis zullen we dat wel beter in orde timmeren. Even is er de fut uit en halen we lang niet het tempo, dat we van plan waren. Logisch als je je bezeert, dat je je dan minder fit voelt. Gelukkig komt de zon door en krijgen we zowaar warm weer!

Dan, een nieuwe schrik. Ineens mist mijn broer z'n zegelring... Verloren bij de val? Vrijwel onmogelijk, maar tja, wat dan? Terug rijden, nu we al over de Jurabergen heen zijn en Liestal naderen? Het is al dicht tegen twaalven en we zijn nog niet eens Zwitserland uit. Onze kleding begint te drogen. Langs het Thunermeer hebben we zo'n regen gehad, dat de afscheiding tussen water en overliggende oever niet te zien was.

Precies op de plaats waar de knie tegen de kniegrip op de tank rust, is het linkerbeen afgeschaafd, hetgeen bijzonder lastig en pijnlijk blijkt te zijn. Een beetje scheef zitten blijkt de beste remedie te zijn, maar het malle is dat je daar telkens bij moet denken, want ongemerkt schuif je na enige tijd weer recht en roept dan prompt „au"!
Met stralend weer — hoe bestaat het — gaan, we rond twaalf uur bij Bazel over de Franse grens en knorren dan maar in één lange ruk langs alle „Heimen" tot we ergens tussen de maisvelden in de zon liggen, wat eten en wat uitblazen.

Wat we nog vergeten hebben te vertellen is, dat de helft van onze meegenomen voorraad brood op de heenreis beschimmeld bleek te zijn, zodat we ditmaal voorzichtiger waren en niet van te voren wat klaar maakten. 's Middags rijden we ten tweede male en nu nog sneller door Straatsburg. We willen niet weer in Speyer kamperen, maar aan de Rijn zien te komen. Dat lukt ook, al is het donker en laat als we Bingen binnen sjeesen. „Asjemenou, zeg, we hebben 550 km gereden vandaag, snap jij dat?" We laten de tent de tent en zoeken een hotelletje. Het tweede is raak en we hebben plaats voor man én paard.

Zelfs kunnen we nog warm eten krijgen, al is het na tienen, maar dan ploffen we ook in bed en slapen als ossen, 's Morgens is de lucht grijs en hebben we tegenwind. De Rijn is weer erg mooi, maar de plens­bui minder fraai om mee te beginnen. Gelukkig klaart het op. Bij de Lorelei stoppen we en gaan aan het water zitten kijken naar de raderboten.

We praten zo wat over onze tocht en dan ineens..., een loei van geweld, een klap om m'n schouders om platvoeten te krijgen en... Ik moet er wel erg stom hebben uitgezien. Maar snap daar nou es iets van? „Ik weet waar m'n ring is, man! In de zijzak van de binnentent!" Heb ik hem afgedaan eergisteravond en glad vergeten!" „Zal ie toch niet uitgerold zijn met opvouwen?" Afijn, duimen maar. Er is tenminste weer hoop. Maar wegrijden doen we toch niet. Eerst gaat de tent eraf en tasten we net zo lang in de opgevouwen bundel tot we — hoera — de bobbel voelen zitten.

Fluitend en zingend gaat het nu langs de Rijn. De pret is weer volkomen. In Jülich eten we 's middags nog een stukje en krassen dan stug door, al moeten we steeds meer gaan verzitten. Onze gezichten zijn of diepbruin of goed vuil, vinden we. De stofbril staat er precies in afgetekend. Flink moe maar uiterst voldaan bereiken we de Nederlandse grens en leggen snel het laatste saaie stuk tot onze wigwam af. Weer hebben we het klaargespeeld, weer zijn onze dappere Kreidlers die eindeloos lange route onvermoeid in touw geweest, constant praktisch op volle toeren. Een onvergetelijke tocht ligt achter ons. De kleurige transfers die de binnenzijde van onze beenschilden sieren, zijn het symbool van een glorieuze vakantie die al onze verwachtingen overtrof.
FRANCA