Kreidlerdatabase

Waaraan moet een Kreidler bromfiets voldoen?

We beginnen na de inhoudsopgave met de sectie Algemeen - Dit is sectie 0

    1. Algemene bouwwijze van het voertuig
    2. Afmetingen en massa’s
    3. Motor
    4. Krachtoverbrenging
    5. Assen
    6. Ophanging
    7. Stuurinrichting
    8. Reminrichting
    9. Carrosserie
    10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
    11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
    12. Diversen

§ 0. Algemeen

Artikel 5.6.1

  1. Bromfietsen moeten voldoen aan de volgende eisen:
    1. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
    2. zij moeten:
      1. behoren tot een door Onze Minister goedgekeurd type of exemplaar en zijn voorzien van:
      2. een goed leesbaar goedkeuringsmerk dat is aangebracht op het balhoofd of op enig ander deel van het frame, dan wel
      3. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, behorende tot een na 1 juli 1958 doch voor 31 december 1994 door Onze Minister goedgekeurd type, voorzien van een goed leesbaar goedkeuringsmerk, dan wel
      4. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, waarvan het merk en het type door Onze Minister vóór 1 juli 1958 in de Nederlandse Staatscourant zijn bekend gemaakt, of
      5. behoren tot een type waarvoor een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG is afgegeven en zijn voorzien van een constructieplaat waarop de volgende gegevens zijn vermeld:
        1. de naam van de fabrikant;
        2. het goedkeuringsnummer betreffende de goedkeuring van het voertuig;
        3. het identificatienummer van het voertuig;
        4. het geluidsniveau tijdens stilstand in dB(A) bij een daarbij behorend aantal toeren per minuut, en
        5. zij moeten zijn voorzien van een gele plaat of gele vlakken of, indien zij blijkens het in onderdeel b, genoemde goedkeuringsmerk of goedkeuringsnummer zijn geconstrueerd voor een maximum snelheid van niet meer dan 25 km/h, van een oranje plaat of oranje vlakken.
      6. Onze Minister stelt regels vast omtrent:
        1. de wijze waarop het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde goedkeuringsmerk moet zijn aangebracht;
        2. de in het eerste lid, onderdeel c, genoemde plaat of vlakken en de wijze waarop deze moeten zijn aangebracht. Bromfietsen met twee voorwielen alsmede bromfietsen waarbij om constructieve redenen de plaat niet in het midden boven het voorwiel kan worden aangebracht, moeten zijn voorzien van twee gele of twee oranje platen dan wel gele of oranje vlakken.
           
      7. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, onderdeel b, tweede volzin, mogen bromfietsen op drie of meer wielen met een carrosserie niet zijn voorzien van een plaat of vlakken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.
         
      8. Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen als bedoeld in artikel 2.4, onderdelen a, b en g.

Ga naar begin

 

 

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.6.3

  1. Het frame of de zelfdragende constructie alsmede de voor- en achtervork van bromfietsen mag:
    1. geen breuken of scheuren vertonen;
    2. niet zijn doorgeroest;
    3. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt benvloed.
  2. De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd

Artikel 5.6.4

  1. Een aan een bromfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de bromfiets zijn bevestigd.

Ga naar begin

 

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.6.6

  1. Bromfietsen mogen:
    1. niet langer zijn dan 4.00 m;
    2. niet breder zijn dan 1.00 m; 
    3. niet hoger zijn dan 2.50 m.
  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen bromfietsen op meer dan twee wielen niet breder zijn dan 2,00 m.

Ga naar begin

 

 

§ 3. Motor

Artikel 5.6.8

  1. Bromfietsen die zijn geconstrueerd voor een maximum snelheid van ten hoogste 45 km/h, moeten bij voortduring blijven voldoen aan deze door de constructie bepaalde maximum snelheid.
  2. Bromfietsen die zijn geconstrueerd voor een maximum snelheid van ten hoogste 25 km/h, moeten bij voortduring blijven voldoen aan deze door de constructie bepaalde maximum snelheid.
  3. Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze van meten van de in het eerste en het tweede lid bedoelde snelheden.

Artikel 5.6.9

  1. Alle onderdelen van het brandstofsysteem dan wel van de elektrische aandrijving van bromfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
  2. Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
  3. De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.

Artikel 5.6.11

  1. Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.
  2. De uitmonding van de uitlaatleiding van bromfietsen mag niet hoger zijn gelegen dan de bovenkant van de zitplaats.
  3. De uitstroomrichting van de uitlaatleiding moet horizontaal en evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van het voertuig zijn.
  4. Bromfietsen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging (Stb. 1984, 525).
  5. Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens het in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdeel b , genoemde goedkeuringsmerk zijn geconstrueerd voor een maximum snelheid van meer dan 25 km/h, en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen.
  6. In afwijking van het vijfde lid mogen bromfietsen die behoren tot een type waarvoor een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG is afgegeven in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die is vermeld op de in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, bedoelde constructieplaat, vermeerderd met 2dB(A). 
  7. Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze van meten van de in het vijfde en zesde lid bedoelde geluidproductie.

Artikel 5.6.12

  1. De elektrische bedrading van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.

Artikel 5.6.13

  1. De motor van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd.

Ga naar begin

 

 

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.6.16

  1. De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd.

Ga naar begin

 

 

§ 5. Assen

Artikel 5.6.18

  1. De assen van bromfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
  2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
  3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
  4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.

 

Artikel 5.6.24

  1. De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van bromfietsen mogen geen breuken, scheuren of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken.

Ga naar begin

 

 

§ 6. Ophanging

Artikel 5.6.27

    1. De wielen van bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden.
    2. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
    3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
    4. Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. 
    5. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.

Artikel 5.6.28

  1. Indien de bromfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken.
  2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd.

Ga naar begin

 

 

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.6.29

  1. De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
  2. De voorvork moet zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien.
  3. De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen.

Ga naar begin

 

 

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.6.31

  1. Bromfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
    1. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
    2. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
    3. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
    4. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
  2. Het rempedaal onderscheidenlijk de remhandel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt.
  3. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
  4. Remslangen mogen:
    1. niet in ernstige mate zijn misvormd;
    2. niet langs andere voertuigdelen schuren;
    3. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
  5. Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn.
  6. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
  7. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
  8. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.

Artikel 5.6.38

  1. Bromfietsen moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, dan wel ten minste 2,0 m/s2 bedraagt indien het een bromfiets betreft die behoort tot een type dat door Onze Minister is goedgekeurd vóór 1 januari 1966.
  2. De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.

Artikel 5.6.39

  1. Van bromfietsen op meer dan twee wielen moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is.

Ga naar begin

 

 

§ 8. Carrosserie

Artikel 5.6.41

  1. Windschermen en stroomlijnkappen van bromfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren.
  2. Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd

Artikel 5.6.46

    1. De zitplaats of zitplaatsen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
    2. Bromfietsen moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde trappers of voetsteunen voor de bestuurder.

Artikel 5.6.48

  1. Bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
  2. De wielen onderscheidenlijk banden van bromfietsen moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
  3. Geen deel aan de buitenzijde van een bromfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

Ga naar begin

 

 

§ 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.6.51

  1. Bromfietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van:
    1. een of twee dimlichten;
    2. een of twee achterlichten;
    3. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. 
  2. Bromfietsen op drie of vier wielen moeten zijn voorzien van:
    1. een of twee dimlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee dimlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
    2. een of twee stadslichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee stadslichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
    3. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde indien het voertuig is voorzien van een gesloten carrosserie;
    4. een of twee achterlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee achterlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
    5. een of twee remlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee remlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
    6. een of twee niet-driehoekige rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee niet driehoekige rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
    7. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers

Artikel 5.6.52

  1. Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, moeten zijn voorzien van een niet-driehoekige rode retroreflector, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op ten minste 0,25 m en ten hoogste 0,90 m boven het wegdek.

Artikel 5.6.53

  1. Het dimlicht mag niet anders dan wit of geel stralen.
  2. Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen

Artikel 5.6.55

  1. De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten moeten goed werken.
  2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
  3. De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt, dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
  4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
  5. De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
  6. De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.

Artikel 5.6.57

  1. Bromfietsen op twee wielen mogen zijn voorzien van:
    1. een of twee grote lichten;
    2. een of twee stadslichten;
    3. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten;
    4. een of twee remlichten;
      1. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
      2. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers;
      3. een installatie ter verlichting aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
      4. een naar voren gerichte witte retroreflector.
  2. Bromfietsen op drie of vier wielen mogen zijn voorzien van:
    1. een of twee grote lichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee grote lichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
    2. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig niet is voorzien van een gesloten carrosserie;
      1. een installatie ter verlichting aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
      2. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
      3. een naar voren gerichte witte retroreflector.
  3. Bromfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.

Artikel 5.6.58

  1. Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, mogen zijn voorzien van:
    1. een stadslicht aan de uiterste buitenzijde van het voertuig op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
    2. een achterlicht;
    3. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten;
    4. een remlicht;
    5. een naar voren gerichte witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,40 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
    6. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
       
  2. Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.

Artikel 5.6.59

  1. Het grote licht en het stadslicht mogen niet anders dan wit of geel stralen.
  2. Het achterlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen.
  3. Richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
  4. Artikel 5.6.55, tweede, derde en vierde lid, is van toepassing.

Artikel 5.6.64

  1. Bromfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
  2. Bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.

Artikel 5.6.65

  1. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.6.51, 5.6.52, 5.6.57 en 5.6.58 is voorgeschreven of toegestaan.

Ga naar begin

 

 

§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen

Artikel 5.6.66

  1. Indien de bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
  2. Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van 50 mm:
    1. moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen;
    2. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed werken en moet de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn

Ga naar begin

 

 

§ 12. Diversen

Artikel 5.6.71

  1. Bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte.
  2. Bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets of de zijspanwagen te voorkomen.
  3. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.

Ga naar begin

Vrije vertaling naar www.politieinfo.nl

Van Wikipedia

Mofa, Moped, Kleinkraftrad, Mokick en Leichtkraftrad

In Duitsland worden verschillende benamingen voor bromfietsen gebruikt.

Voor veel Duitse fabrikanten ontstond door de nieuwe situatie een dilemma: Nu men voor de (grote) binnenlandse markt geen trappers meer hoefde te monteren, was het vaak niet interessant dat voor de (kleine) Nederlandse markt wél te doen. Daarmee verdwenen veel Duitse merken in Nederland van de markt.

Verkeersregels

In Duitsland wordt een snorfiets een Mofa genoemd en een bromfiets een Moped of Kleinkraftrad. De minimumleeftijd voor het berijden van een Moped is 16 jaar en van een Mofa 15 jaar. De maximumsnelheid van een Moped is 45 km/uur en van een Mofa 25 km/uur.